U bent hier

Onkruid vergaat niet

Je kent mij. Je hebt me zeker al gezien, en waarschijnlijk al tientallen keren vervloekt. Ik ben die paarse plant met stekels, tussen je gele bloemen. Onkruid, zo word ik het vaakst benoemd. Wees gerust, je vindt me in elke tuin. En iedereen worstelt met me. Een tuin onkruidvrij maken, daar moet je veel tijd en energie in steken, en zelfs dan ben je niet zeker van je resultaat, want onkruid vergaat niet.

Ik ben mezelf er al heel lang van bewust dat ik onkruid ben, dat ik anders ben dan de flora die me omringt. Als kind werd ik verstoken van de broodnodige warmte en licht, omdat ik in mijn gezin omringd werd door hoge bomen die niet enkel veel wind vingen, maar ook de zon van me weg hielden. In de schooltuin groeide ik tussen plantjes die veel groter en sterker waren. Ik was nl heel intelligent en had een klas overgeslagen, maar emotioneel en lichamelijk was ik nog lang niet zo ver als mijn klasgenoten. Mijn ouders kozen de perkjes waar ik mijn vrije tijd doorbracht, en kozen bewust voor plaatsen waar ik uit de boot viel en niet zo goed open bloeide als de planten rondom me. Ik realiseerde me dan ook overal al heel snel dat ik anders was. Minder populair, minder muzikaal, minder sociaal, minder sportief enzovoort. “minder”, dat was de samenvatting. Ik voelde me onbekwaam, ongewenst, onmenselijk. Alles met ‘on’ is slecht, zo leerde ik al heel snel. En ik, als onkruid, begon me helemaal herleid tot een ‘on’ te voelen.

Ik probeerde alles om me te doen opgaan in de omgeving, maar mijn camouflageskills waren niet echt op peil. Ik deed me voor als geel, als groen, als elke kleur die ik in mijn omgeving zag. Maar bij de minste regenbui of tegenslag, liep de kleurstof in dikke tranen langs mijn steel en kwamen mijn werkelijke kleuren weer tevoorschijn. Ik begon naar de grond toe te groeien en steeds minder plaats in te nemen. Ik probeerde mezelf kapot te krijgen. Maar het lukte me niet, want onkruid vergaat niet.

Ik vond al bij het begin van mijn tienerjaren dat mijn omgeving beter af zou zijn zonder mij. Ik probeerde me onzichtbaar te maken en op te gaan in mijn omgeving. Ik liet me vertrappen, ik was totaal niet assertief. Ik wist niet meer wie ik zelf was omdat ik zo graag wilde lijken op de mooie bloemen in mijn omgeving. En ik probeerde te verdwijnen, omdat tere plantjes over het algemeen gekoesterd en gewaardeerd werden.  Ik halveerde mezelf en werd geplukt en op de composthoop gegooid. Daar, te midden van ander onkruid, begon ik weer wortel te schieten.  

Ik belandde in de hulpverlening. Heel veel soorten hulpverlening heb ik meegemaakt. En wat ze allemaal gemeenschappelijk hadden, was dat ze vonden dat ik moest veranderen. Op de ene plaats probeerden ze mijn kleur aan te pakken, op de andere plaats mijn vorm. Ik kreeg te veel en te weinig water, te veel en te weinig licht, te veel en te weinig warmte. Niemand kende me echt, niemand wist wat ik nodig had. En mij werd het niet gevraagd. Ik moest leren te passen in de tuintjes met hun uniforme bloemperkjes. Ondanks mezelf.

Jaren gingen voorbij en ik belandde in verschillende tuintjes. Werd soms lange tijd gedoogd, waardoor ik weer een beetje aan groeien en bloeien toekwam. Maar ook heel vaak probeerde men me te plukken of stuurde men de grasmachine in mijn richting. Mijn groeiende en bloeiende deel kwam vaak in gevaar, maar mijn wortels bleven stevig in de grond. Onkruid vergaat niet.

Er veranderde voor mij heel veel toen ik tussen andere plantjes terecht kwam in een setting vol spiegeltjes. Niemand bestempelde een van ons als onkruid, maar we leerden om zonder oordeel te kijken naar onze bouw, onze kleur, onze lengte en onze stekels.  Het heeft me een jaar van mijn leven gekost, maar ik leerde er aangeven wat ik nodig had. Als ze me te veel water gaven, gaf ik het hen terug. Als ze me te weinig zon gaven, draaide ik mijn bloem er naartoe. Ik hoorde dat ik negatieve gevoelens losmaakte bij de tuinmannen. Ik kan me dat voorstellen, maar voor mij was het wel noodzakelijk. Ik leerde wat ik moest doen om een grote en stevige plant te worden, en begon de eerste stapjes te zetten in die richting.

Eenmaal ik weg was uit die hulpverlening, besefte ik in welke tuintjes ik me beter niet meer zou laten zien omdat ik me er niet goed voelde. Ik vond een stukje middenberm, waar allerlei andere soortgelijke planten stonden te midden van de voorbij razende auto’s. Ik zag de tientallen mooie kleuren bij mijn lotgenootjes, en genoot van hun schoonheid. Ik praatte en luisterde en merkte dat ook zij bestempeld werden als onkruid in de tuinen waar ze vandaan kwamen. Dit kon er bij mij niet goed in. Zo’n mooie en sterke planten! Langzaam groeide in mij het besef dat het woord ‘onkruid’ niet veel meer is dan een oordeel. En dat de auto’s die ons voorbij reden soms best wel konden genieten van ons samenspel van kleuren, gewoon omdat het een andere context was dan hun afgelikte gazon.  Door de verscheidenheid van ons allen, het samenspel van onze geuren en kleuren, en de zichtbaar goede impact op het ecosysteem in de berm, zijn er beetje bij beetje meer automobilisten overtuigd geworden van de impact van een wilde tuin. Met gras, bloemen, kruiden en ‘on’kruiden tegelijk. Met plaats voor diversiteit. Daarom willen we zichtbaar blijven en blijven bloeien. Onkruid vergaat niet.

 

Dapper zijn ...

MOED

“Er zijn zoveel verschillende manieren om dapper te zijn in deze wereld. Soms ben je dapper door je leven te geven voor iets wat groter is dan jijzelf, of voor iemand anders. Soms ben je dapper door alles op te geven wat je ooit hebt gekend, of iedereen van wie je ooit hebt gehouden, omwille van iets groters.

Maar soms ook niet.

Soms ben je alleen maar dapper door met je tanden op elkaar de pijn te verbijten en de dagelijkse routine af te werken, in de trage gang naar een beter leven. Dat is de manier waarop ik nu dapper moet zijn.”

(Veronica ROTH, Samensmelting, blz 365)

 

“Amai jij hebt al veel meegemaakt”, krijg ik vaak te horen als mensen mijn achtergrond leren kennen. Soms met een medelijdende ondertoon, vaak ook met iets van bewondering. En dan de vraag ‘hoe doe je dat?’. Wel, het antwoord is heel simpel: Je hebt maar twee keuzes, volhouden of opgeven. Als je in een bepaalde situatie geboren wordt, weet je gedurende lange tijd niet anders dan dat jouw omgeving de norm is. Dus je houdt vol en je probeert er het beste van te maken. Ik heb mezelf gedurende mijn moeilijke kindertijd nooit als moedig gezien, daarvoor was ik veel te bang. In mijn ogen zou ik pas moedig zijn als ik me er fysiek tussen zou werpen wanneer er zich agressie voordeed tussen gezinsleden. En dat heb ik nooit gedurfd, waarschijnlijk uit instinctief zelfbehoud.

Maar het wreekte zich uiteraard na een tijdje, en toen ik als tiener met mezelf in de knoop kwam te liggen en mijzelf zodanig kapot had gemaakt dat er ingegrepen werd, gebruikte ik de kans wel om naar buiten te treden met de mistoestanden die er plaats vonden. Was het moedig om mezelf op te offeren zodat onze thuissituatie zou veranderen? Ik heb er nooit bewust voor gekozen om ziek te worden dus ik vind niet dat ik het als een dappere daad kan bestempelen.  Maar het resultaat van mijn openheid tegenover mijn hulpverleners was wel dat er ook voor mijn jongere broers en zus beschermingsmaatregelen kwamen. Ik ervaarde dit vooral als een geluk waar ik zeer dankbaar voor mocht zijn, en pas nu begin ik te beseffen dat het wel heel wat van me vergde om mijn loyauteit opzij te zetten en eerlijk te vertellen hoe ik me in mijn thuisomgeving voelde.

Was het dapper van me om de hoorcolleges aan de hogeschool te verlaten wegens andere prioriteiten wanneer mijn kleine zusje weer eens was weggelopen ? Was het dapper van me om me niet onder druk te laten zetten toen mensen uit mijn omgeving van me verwachtten dat ik mijn vader van incest zou beschuldigen? Was het dapper van me om te blijven vechten voor een glimlach van mijn moeder, ook al was de kans klein dat die er ooit zou komen? Was het dapper van me om helemaal alleen aan studies in een totaal andere stad te beginnen om zo letterlijk afstand te bekomen van mijn eerdere milieu?

Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat het voor mij verdomd veel moed heeft gekost om telkens opnieuw mijn verhaal te doen als ik weer in een herval terecht kwam en hulp zocht. En dat op dagen dat ik heel depressief rondliep, het toertje naar de winkel al voelde als een halve marathon. Het is zo vaak makkelijker geweest om te kiezen voor de gekende, zelfdestructieve weg. En dan kost het moeite om de moed op te brengen om te gaan slapen, op te staan, te douchen, te eten, te praten, te schrijven, gewoon te bestaan. Op donkere dagen is ‘in leven blijven’ ongelooflijk dapper. Want dat gaat niet vanzelf.

De dapperste dingen die ik in mijn ogen al heb gedaan, bestaan uit ‘overleven’ op momenten dat ik vond dat ik daar eigenlijk geen recht op had. En uit alle acties die ik daarvoor ondernomen heb: het aanspreken van hulpverleners, het in handen nemen van mijn eigen herstelproces, het delen van mijn ervaringen. Want destructie werd mijn comfortzone, en zelfzorg is daar tegenin gaan. Het is de hoop dat het ooit makkelijker kan worden, zowel voor mezelf als voor lotgenoten, die me de moed geeft om dagelijks opnieuw te kiezen voor datgene wat goed voor me is. Het is een moeilijk evenwicht tussen dapper en dom, tussen zorgen voor anderen en zorgen voor jezelf. Maar moeilijk is niet onmogelijk.